Van verzorgingsstaat naar verzorgingssteden

De Nederlandse verzorgingsstaat verandert in een verzameling verzorgingssteden. En in elke stad zal het er straks anders aan toe gaan. Dat zegt Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), vooruitkijkend naar de grote decentralisaties. Hoe gaan we daar mee om?

In de ongewone situatie van de economische crisis bloeit het maatschappelijk initiatief in Nederland. Burgers richten broodfondsen voor zzp’ers op en plaatselijke coöperaties voor energie. Voor geld ga je niet meer per definitie naar de bank, dat kun je ook via crowdfunding bij elkaar krijgen. Het mooie van deze maatschappelijke initiatieven is dat ze mensen een heel goed gevoel geven. Participatie is leuk. Het SCP-onderzoek naar Krachtwijken liet al zien dat de tevredenheid en het optimisme toenemen als mensen weer meer te zeggen krijgen over oplossingen in hun eigen wijk.  

Die ongewone situatie wordt in 2015 nieuwe realiteit. De decentralisaties in het sociale domein zijn gebaseerd op burgerparticipatie. De kunst is om het positieve gevoel mee te nemen naar deze nieuwe realiteit.

In zijn Wibautlezing ‘De Verzorgingsstad. Tussen verzorgingsstaat en participatiesamenleving’ wijst Kim Putters erop dat het twee kanten op kan gaan. Wie de beschikbare professionele hulp of de mogelijkheden tot het bieden van mantelzorg in gevaar ziet komen, zal de decentralisaties ervaren als een platte bezuiniging. De rijksoverheid gooit taken over de schutting. 

Een ander zal de decentralisaties toejuichen omdat ze zelfredzaamheid en gemeenschapszin bevorderen. Bovendien is zorgen voor elkaar nu eenmaal iets dat dichtbij gebeurt, in buurten en lokale instellingen. Als burgers invloed hebben op de aard, omvang en kwaliteit van voorzieningen is dat alleen maar goed. 

Trends

Putters begrijpt zowel de pessimist als de optimist. Als directeur van het SCP heeft hij de cijfers paraat en ziet hij de trends in Nederland als eerste. Hij constateert dat de decentralisaties uitstekend passen bij de huidige tijd maar ook dilemma’s aan het licht brengen. 

In de ‘oude’ verzorgingsstaat ging het om zorgen en verzorgen. Burgers hadden daar recht op. De eigen verantwoordelijkheid om de noodzaak tot zorg waar mogelijk te voorkomen, raakte op de achtergrond. In de ‘nieuwe’ verzorgingsstad draait het om zelfredzaamheid en meedoen in een combinatie van zorgen, werken en wonen. Die verandering is al gaande. Zelfredzaamheid wordt tegenwoordig  tot op hoge leeftijd normaal gevonden. Het is onzin om iedereen tussen 60 en 90 weg te zetten als kwetsbare kostenpost, zegt Putters. Het zijn vaak mensen die nog heel actief zijn in de economie en in de samenleving, niet om zorgkosten te besparen maar omdat het de kwaliteit van leven vergroot. Maar niet iedereen wordt gezond oud, en het gaat niet met iedereen vanzelf goed.

Ook de arbeidsmarkt laat nieuwe trends zien; er zijn bijvoorbeeld meer tweeverdieners, maar ook meer alleenstaanden en meer zzp’ers. De overheid wil dat vrouwen de arbeidsmarkt opgaan en dat iedereen langer blijft werken. Dat gebeurt ook, maar het gaat niet automatisch samen met mantelzorg. Mantelzorgers - veelal vrouwen - voelen zo een grote morele plicht en tegelijk een belasting. Want het is logistiek en in tijd niet altijd allebei mogelijk. Ook degene die wordt verzorgd, vindt het vaak lastig om nee te zeggen. Mantelzorg gaat niet automatisch goed, stelt Putters. 

Verschillen

Hoe je ook denkt over de participatiesamenleving: het venijn zit ‘m in de uitwerking in de praktijk, aldus Putters. Als je traditionele manieren van zorgen en verzorgen ombuigt naar meer activerende vormen van burgerparticipatie, leidt dat onherroepelijk tot lokale verschillen. Redeneren vanuit behoeften van kwetsbare ouderen, werkzoekende vmbo’ers, re-integrerende arbeidsgehandicapten of de last van mantelzorgers betekent per definitie dat er geen mal is waar iedereen in past.  En de lijn tussen flexibiliteit en willekeur is flinterdun. 

Putters voorspelt dat de verandering van verzorgingsstaat naar een verzameling verzorgingssteden hoe dan ook gepaard zal gaan met grote onderlinge verschillen. Die verschillen verhouden zich slecht tot van boven opgelegde uniforme eisen waaraan voorzieningen moeten voldoen. Putters stelt dat de morele agenda - hoe bereiken we kwaliteit van leven, gezondheidswinst en welbevinden- alleen lokaal kan worden bepaald. Dit zou dan ook het uitgangspunt voor het rijksoverheidsbeleid moeten zijn. In het perspectief van de verzorgingsstad stelt het Binnenhof geen –uniforme- regels en eisen maar stuurt de landelijke politiek aan op hoofdlijnen van sociaal grondrecht en internationale verdragen. Nodig is een terughoudende rijksoverheid die leert loslaten en variatie toestaat in het vertrouwen dat de lokale overheid het goed doet. Zo kunnen, naar zijn mening, met behulp van lokale inzichten decentralisatieproblemen worden opgelost.

Daarmee zullen de decentralisaties nog niet overal van een leien dakje gaan. Een stevige lokale democratie is een voorwaarde voor succes, en Putters heeft hier zorgen over. Niet de onderlinge verschillen tussen gemeenten zijn het probleem, maar de kwaliteit van het lokaal bestuur, de matige invloed van burgers en organisaties op de verdeling van middelen, en de afwezigheid van een sterke lokale pers die als luis in de pels van de lokale beslissers onafhankelijk zijn werk zou moeten doen. Reorganisaties en bezuinigingen bij krantenuitgevers geven wat dat laatste punt betreft weinig hoop. Putters pleit dan ook voor een stevige democratiseringsagenda op lokaal niveau. Dat is van groot nationaal belang.   

1 maart 2014
Tekst: Trudy Admiraal
n.a.v. Wibautlezing ‘De Verzorgingsstad’ door Kim Putters

Volledig artikel