Loslaten is niet eenvoudig

Maatschappelijke vitaliteit neemt de organisatie van het sociale domein over. Dat zal veel Nederlanders als muziek in de oren klinken. Overal in het land leiden maatschappelijke initiatieven tot een positief gevoel. Gemeenten juichen de goede ideeën van hun bewoners toe en zijn trots op de veerkracht in hun stad of dorp. Decentralisatie past in een tijd van mondige en actieve burgers.

Aan de grote decentralisatieoperatie waar Nederland nu voor staat, ligt een aantal overwegingen ten grondslag, zegt hoogleraar bestuurskunde Roel in ’t Veld. In zijn betoog ‘Decentralisatie Revisited’ noemt hij wat voorbeelden: de gemeente heeft een beter zicht op de cliënt/patiënt dan het rijk. En: de gemeente kan doeltreffender toezicht houden op uitvoering. Maar de geloofwaardigheid van deze beweringen hangt in sterke mate af van de bril die men opzet, aldus In ‘t Veld. De belastingdienst kent de financiële omstandigheden van inwoners echt veel beter dan de gemeente, om maar iets te noemen. En het houden van toezicht wordt voor de gemeente een haast onmogelijke taak als het gaat om professionele zorgverlening. De meeste professionals die in het sociale domein zorg verlenen, zijn immers niet ondergeschikt aan een overheid. Zij hebben externe bindingen met verzekeraars en toezichthouders, naast eventuele contractuele banden met een of meer gemeenten. In ’t Veld constateert dat in veel specialisaties eigen protocollen zijn ontwikkeld, en dat toezicht in de praktijk neerkomt op de vraag of het protocol is gevolgd. Ook is een aanzienlijk deel van de organisaties en professionals qua financiering niet afhankelijk van de gemeente maar van verzekeraars en consumenten. Als het gaat om onderlinge relaties van alle betrokken instanties in de professionele zorgverlening, is de gemeente geen krachtige partner en in veel gevallen helemaal geen partner.

Gelijkheidsfuik

De decentralisaties zijn voor de gemeenten een grote uitdaging. Het verbinden van uitkeringen, zorg en arbeidsmarktbeleid vraagt om eensluidend optreden; gelijke gevallen moeten immers gelijk worden behandeld. Maar maatschappelijke initiatieven hebben als kenmerk diversiteit. In de werkelijkheid van alledag zal het hoe dan ook overal anders gaan. De waarschuwing van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) is dan ook: ‘Overheid: pas op voor de gelijkheidsfuik.’ Een gevarieerd aanbod van publieke voorzieningen zorgt enerzijds voor een veerkrachtige samenleving maar leidt ook tot nieuwe politieke vraagstukken. 

De grootste vraag bij de decentralisaties is misschien niet hoe de gemeenten dit gaan organiseren maar of het rijk in staat is los te laten. De RMO publiceerde in juni 2013 het rapport ‘Terugtreden is vooruitzien. Maatschappelijke veerkracht in het publieke domein’. Belangrijkste conclusie in dit rapport: de beweging van een terugtredende overheid slaagt alleen wanneer maatschappelijke initiatieven ruimte krijgen om publieke voorzieningen naar eigen waarden en inzicht te organiseren. Het vraagt van overheden, politici en bewoners dat zij accepteren dat er méér verschil ontstaat in zorg, onderwijs en welzijn. Verschil in omvang, keuzeaanbod, kwaliteit en identiteit.

Nieuwe rol

Maatschappelijk initiatief is geen beleidsinstrument van de overheid, het neemt de organisatie van een publieke voorziening op zich. Volgens de RMO zouden maatschappelijke initiatieven daarom inhoudelijke en financiële zeggenschap moeten krijgen. Veerkracht kun je niet afdwingen, veerkracht ontstaat als er ruimte is. Sommige initiatieven zullen doodbloeden, andere zullen voldoende draagvlak hebben om succesvol te zijn. Dat alles moet leiden tot een nieuwe rol van de overheid.

Die nieuwe rol zou het beschermen van de rechtsstaat moeten zijn, stelt de RMO. Een rechtsstaat die het verschil beschermt door het tegengaan van monopolies en die de vrijheid van vereniging en het recht op uittreding garandeert. De politieke vraag die dan speelt is: welke vormen van verschil zijn acceptabel? Wanneer wordt uitsluiting discriminatie? Wanneer zijn kwaliteitscriteria onvoldoende? Wat kan de overheid hier aan doen zonder maatschappelijke initiatieven hun zeggenschap te ontnemen? Het gemeentebestuur zou tenminste moeten definiëren waar de burger op mag rekenen in aanvulling op de nationale volksverzekeringen, zegt hoogleraar Roel in ‘t Veld.

Een andere politieke vraag die beantwoord moet worden is deze: hoe gaan we om met mensen die geen initiatief nemen, mensen die geen plaats vinden in een maatschappelijke publieke voorziening? Blijven zij verstoken van voorzieningen die de overheid wèl belangrijk vindt, zoals zorg of onderwijs?

Een terugtrekkende overheid biedt ruimte. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De complexiteit van de aanstaande decentralisaties zullen spanningen met zich meebrengen. In ’t Veld noemt de ophef die al ontstond toen wethouder Margriet de Jager in Deventer aanstalten maakte specifiek beleid te gaan voeren ‘veelzeggend’. De wethouder overleefde een motie van wantrouwen en de staatssecretaris was er als de kippen bij om de geest weer in de fles te krijgen. Loslaten is niet eenvoudig.

1 maart 2014
Tekst: Trudy Admiraal
n.a.v. ‘Decentralisatie Revisited’ door Roel in ’t Veld

Volledig artikel